-
We hebben het getal 35, wat 3 tientallen heeft,
-
want er staat 3 op de plek van de tientallen,
-
dus hebben we 3 tientallen,
-
en er staat een 5 op de plek van de eenheden.
-
Dit is de plek van de eenheden,
-
Ik teken de eenheden ook in paars.
-
Dit is de plek van de eenheden,
-
en we zien dat daar een 5 staat,
-
5 eenheden.
-
Dus 35 is hetzelfde als
-
3 tientallen en 5 eenheden.
-
3 tientallen en 5 eenheden.
-
Wat we nu met in deze video gaan doen is 8 van 35 aftrekken.
-
Ik adviseer je de video stil te zetten,
-
en uit te zoeken wat 35 min 8 is.
-
Goed, laten we er eens over nadenken.
-
We hebben 5 eenheden, en we willen er 8 eenheden vanaf halen.
-
Maar we weten niet hoe we 8 eenheden
kunnen weghalen, als we er maar 5 hebben.
-
We kunnen er 5 vanaf halen,
maar dan hebben we geen eenheden meer.
-
Hoe halen we er dan 8 vanaf?
-
Nou, dit is waar lenen van pas komt,
-
Want we hebben niet slechts 5 vierkantjes.
-
We hebben eigenlijk 35 vierkantjes.
-
We hebben 3 groepjes van 10 vierkantjes,
-
en dan hebben we nog de 5 eenheden.
-
Wat als we nu één van
deze groepjes van tien nemen,
-
hier op de plek van de tientallen,
-
en we zouden die bij de eenheden zetten?
-
Neem dit groepje van 10 bijvoorbeeld,
-
we nemen dit groepje van 10,
-
en in plaats van hem bij de tientallen te zetten,
-
zetten we hem bij de eenheden.
-
Laten we hem nu hier brengen,
-
en op de plek van de eenheden zou dit
-
hetzelfde zijn als 10 eenheden.
-
1, 2, 3, 4, 5, 6, ...
-
7, 8, 9, en 10.
-
Wat is er nu gebeurd?
-
Ik nam één van de tientallen weg,
-
dus heb ik nog maar 2 tientallen over,
-
en ik zette dat tiental bij de eenheden.
-
Dan heb ik de oorspronkelijke 5 eenheden
-
en het nieuwe groepje van 10
-
dat ik bij de tientallen weggehaald heb.
-
Dan is 5 plus 10 gelijk aan 15,
-
dus heb ik 15 eenheden.
-
En nu kan ik 8 eraf halen.
-
Stel dat ik er nu 8 vanaf haal.
-
Ik neem er 1, 2, 3, 4,
-
5, 6, 7, 8 weg.
-
Ik haal er 8 vanaf.
-
Wat heb ik dan nog over?
-
Nou, ik heb de 2 tientallen over,
-
2 tientallen blijven over,
-
en hoeveel eenheden?
-
Ik heb 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 eenheden.
-
7 eenheden staan hier.
-
Hoe doen we dit nu
-
zonder zo'n tekening te maken?
-
Je zou zeggen: "Goed, ik heb
-
3 tientallen en 5 eenheden, daar begonnen we mee,
-
maar ik heb één van die tientallen weggehaald.
-
Ik nam één van die tientallen weg, dus heb ik nu 2 tientallen,
-
en ik nam dat groepje van 10 en zette hem bij de eenheden,
-
dus dat is 10 eenheden.
-
Dus de 5 eenheden, plus nog eens 10 eenheden,
-
geeft ons 15 eenheden.
-
15 eenheden.
-
En dus kan je doen: 15 eenheden min 8 eenheden is 7 eenheden,
-
en die zien we hier staan: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7.
-
Dus na het aftrekken houden we 7 eenheden over.
-
Dan heb ik ook nog 2 tientallen.
-
Dus 2 tientallen, 7 eenheden. 27.