Dutch subtitles

← Jack Horner: Gedaanteverwisselende dinosaurussen

Waar zijn de babydinosaurussen? In een fascinerende lezing van TEDxVancouver beschrijft paleontoloog Jack Horner hoe het opensnijden van fossiele schedels een schokkend geheim over een aantal van onze meest geliefde dinosaurussen onthulde.

Get Embed Code
30 Languages

Showing Revision 1 created 02/20/2012 by Rik Delaet.

  1. Kan ik de handen zien
  2. of geklap horen
  3. van mensen van verschillende generaties?
  4. Ik zou willen weten hoeveel
  5. er hier tussen 3 en 12 jaar oud zijn.
  6. (Gelach)
  7. Geen, hè?
  8. Goed.
  9. Ik ga het hebben over dinosaurussen.
  10. Herinner je je nog dinosaurussen van toen je zo oud was?
  11. (Applaus)
  12. Dinosaurussen zijn wel grappig, weet je.
  13. (Gelach)

  14. We gaan het even van de andere kant bekijken.

  15. Ik hoop dat jullie dat beseffen.
  16. Ik geef je mijn boodschap meteen maar:
  17. "Probeer om niet uit te sterven."
  18. (Gelach)
  19. Dat is het.
  20. (Gelach)

  21. Mensen vragen me veel -

  22. een van de meest gestelde vragen
  23. is waarom kinderen zo gek zijn van dinosaurussen.
  24. Vanwaar de fascinatie?
  25. Ik zeg dan meestal:
  26. "Dinosaurussen waren groot,
  27. anders en weg."
  28. Ze zijn allemaal verdwenen.
  29. Dat is niet waar,
  30. maar daar komen we straks wel aan.
  31. Maar dat is het thema:
  32. "Groot, anders en weg."
  33. De titel van mijn verhaal:
  34. 'Gedaanteverwisselende Dinosaurussen:
  35. De Oorzaak van een Voortijdig Uitsterven.'
  36. Ik ga ervan uit dat we ons de dinosaurussen herinneren.

  37. Er zijn heel veel verschillende vormen.
  38. Veel verschillende soorten.
  39. Een lange tijd geleden,
  40. in de vroege jaren 1900
  41. waren musea op zoek naar dinosaurussen.
  42. Ze gingen erop uit en verzamelden ze.
  43. Dit is een interessant verhaal.
  44. Ieder museum wilde er graag eentje hebben die een beetje groter
  45. of beter was dan die van de andere.
  46. Dus als het museum in Toronto
  47. een grote Tyrannosaurus tentoonstelde,
  48. wilde het museum in Ottawa een grotere
  49. en betere.
  50. Zo ging het overal.
  51. Iedereen was op zoek
  52. naar grotere en betere dinosaurussen.
  53. Dit was in de vroege jaren 1900.
  54. Rond 1970,

  55. begonnen sommige wetenschappers
  56. zich af te vragen: "Hoe kan dat?
  57. Kijk naar deze dinosaurussen.
  58. Ze zijn allemaal groot.
  59. Waar zijn dan de kleintjes?"
  60. Ze dachten erover na,
  61. schreven er zelfs papers over:
  62. "Waar zijn de kleine dinosaurussen?"
  63. (Gelach)
  64. Ga eens in een museum kijken
  65. hoe veel babydinosaurussen er zijn.
  66. Mensen veronderstelden - en dit was eigenlijk het probleem -
  67. mensen dachten dat
  68. kleine dinosaurussen,
  69. jonge dinosaurussen
  70. gemakkelijk te identificeren zouden zijn.
  71. Je zou dan een grote dinosaurus
  72. en een kleinere dinosaurus hebben.
  73. Maar ze hadden alleen maar grote dinosaurussen.
  74. Het komt door een paar dingen.

  75. Ten eerste, wetenschappers hebben ego's.
  76. Wetenschappers geven dinosaurussen graag een naam.
  77. Ze vinden het leuk om iets te benoemen.
  78. Iedereen houdt ervan een dier zijn naam te hebben gegeven.
  79. (Gelach)
  80. Elke keer dat ze iets vonden dat er een beetje anders uitzag,
  81. noemden ze het iets anders.
  82. Daardoor hebben we nu natuurlijk
  83. massa's verschillende dinosaurussen.
  84. In 1975

  85. ging er bij iemand een lampje branden.
  86. Dr. Peter Dodson
  87. aan de Universiteit van Pennsylvania
  88. realiseerde zich
  89. dat dinosauriërs
  90. een beetje zoals vogels groeiden.
  91. Dat verschilt
  92. van de manier waarop reptielen groeien.
  93. In feite
  94. gebruikte hij de kasuaris als voorbeeld.
  95. Dat is wel cool - als je naar de kasuaris kijkt,
  96. of enige andere vogels met een kam,
  97. dan groeien ze
  98. tot ongeveer 80 procent van de volwassen grootte
  99. voor de kam begint te groeien.
  100. Denk daar even over na.
  101. In principe behouden ze hun juveniele kenmerken
  102. tot zeer laat in wat wij de ontogenie noemen.
  103. Allometrische craniale ontogenie
  104. is relatieve schedelgroei.
  105. Als je er dus
  106. een vindt
  107. die 80 procent volgroeid is,
  108. en je wist niet dat het een kasuaris zou worden,
  109. dan zou je denken dat ze twee verschillende dieren waren.
  110. Dit was een probleem,

  111. en Peter Dodson maakte het duidelijk
  112. aan de hand van enkele eendenbekdinosaurussen,
  113. toen nog Hypacrosaurus genoemd.
  114. Hij ging uit
  115. van een baby en een volwassen dier
  116. en maakte een gemiddelde van hoe het er zou moeten uitzien,
  117. als het zich lineair zou ontwikkelen.
  118. Het zou een kam hebben
  119. van de halve grootte als van de volwassene.
  120. De werkelijke halfwas
  121. had echter bij 65 procent ontwikkeling
  122. nog helemaal geen kam.
  123. Dit was interessant.
  124. Dit is waar
  125. ze weer de mist ingingen.
  126. Als ze Peter Dodsons werk
  127. hadden verder gezet
  128. dan zouden we een stuk minder dinosaurussen
  129. hebben.
  130. Maar wetenschappers hebben ego's.
  131. Ze vinden het leuk om dingen te benoemen.
  132. Ze bleven dinosaurussen benoemen
  133. omdat ze anders waren.
  134. Nu hebben we een manier om daadwerkelijk te testen

  135. om te zien of een dinosaurus, of een ander dier,
  136. een jong of een ouder dier is.
  137. Door hun botten open te zagen.
  138. Maar de botten van een dinosaurus openzagen
  139. valt niet mee, zoals je je kan voorstellen.
  140. Voor musea
  141. zijn botten kostbaar.
  142. In een museum dragen ze er heel goed zorg voor.
  143. Ze bewaren ze in schuim in kleine containers.
  144. Ze worden er erg goed verzorgd.
  145. Ze vind het niet leuk als je komt vragen
  146. om ze open te zagen om er een kijkje in te nemen.
  147. (Gelach)
  148. Normaal gesproken laten ze dat niet toe.
  149. Maar ik heb zelf een museum
  150. en ik verzamel dinosaurussen.
  151. Ik kan de mijne dus openzagen.
  152. Dat doe ik dan ook.
  153. (Applaus)

  154. Als je een jonge dinosaurus opensnijdt,

  155. is de binnenkant zeer sponsachtig, zoals A.
  156. De botten van een oudere dinosaurus
  157. zijn erg massief.
  158. Je kan zien dat het volwassen bot is.
  159. Het is heel makkelijk om ze uit elkaar te houden.
  160. Ik wil
  161. je deze nog laten zien.
  162. In Noord-Amerika in de Noordelijke Vlakten van de Verenigde Staten
  163. en de Zuidelijke Vlakten van Alberta en Saskatchewan,
  164. vind je dit rotsmassief, de Hell Creek Formation.
  165. Daar vind je de laatste dinosauriërs die op aarde leefden.
  166. 12 ervan
  167. kent iedereen -
  168. Ik bedoel de 12 primaire dinosaurussen
  169. die uitgestorven zijn.
  170. Die zullen we evalueren.
  171. Dat is wat ik heb gedaan.
  172. Mijn studenten, mijn staf
  173. hebben ze opengezaagd.
  174. Zoals je je kunt voorstellen,
  175. is het openzagen van een beenbot een ding,
  176. maar als je naar een museum gaat
  177. en zegt: "Mag ik
  178. die dinoschedel openzagen?",
  179. zeggen ze: "Daar is de deur."
  180. (Gelach)
  181. Hier zijn 12 dinosaurussen.
  182. We gaan de eerste drie bekijken.
  183. Ze heten Pachycephalosaurussen.

  184. Iedereen weet
  185. dat deze drie dieren verwant zijn.
  186. We veronderstelden
  187. een beetje
  188. als neven of zoiets van elkaar.
  189. Maar niemand heeft er ooit aan gedacht
  190. dat ze misschien nauwer verwant zouden zijn.
  191. Mensen keken
  192. vooral naar de verschillen.
  193. Je weet allemaal
  194. dat als je de verwantschap
  195. met je broer of je zus wil vaststellen,
  196. je dat niet kunt doen door te kijken naar de verschillen.
  197. Dat gaat alleen
  198. door te kijken naar overeenkomsten.
  199. Mensen hadden het

  200. er alleen over hoe verschillend ze zijn.
  201. Pachycephalosaurus heeft een grote, dikke bult op zijn kop,
  202. een paar kleine bultjes op de achterkant ervan
  203. en ook een bos knoestige dingen op het einde van zijn neus.
  204. Stygimoloch, een andere dinosaurus
  205. uit hetzelfde tijdperk, leefde in dezelfde tijd.
  206. Hij heeft uitsteeksels aan de achterkant van zijn kop.
  207. Het heeft een erg kleine bult
  208. en nog een bos knoestige dingen op zijn neus.
  209. Dan heb je nog Dracorex,
  210. Zweinsteins Oog.
  211. Raad eens waar dat vandaan kwam? Dragon.
  212. Hier is een dinosaurus
  213. met wat uitsteeksels op zijn kop, geen bult
  214. en knoestige dingen op zijn neus.
  215. Niemand had opgemerkt dat dat knoestige spul op elkaar leek.

  216. Maar ze keken naar deze drie
  217. en zeiden: "Dat zijn drie verschillende dinosaurussen,
  218. en Dracorex is waarschijnlijk de meest primitieve ervan.
  219. En de andere is dan weer primitiever dan de andere.
  220. Het is me onduidelijk
  221. hoe ze deze drie eigenlijk uit elkaar hielden.
  222. Maar als je die drie schedels
  223. gewoon achter elkaar legt,
  224. ziet het er zo uit.
  225. Dracorex is de kleinste,
  226. Stygimoloch de middelste en
  227. Pachycephalosaurus de grootste.
  228. Je zou denken
  229. dat dat je een aanwijzing zou geven.
  230. (Gelach)
  231. Maar het gaf ze geen aanwijzing.
  232. Wij weten ook waarom.
  233. Wetenschappers vinden het leuk om dingen te benoemen.
  234. Toen we Dracorex

  235. opensneden -
  236. ik sneed onze Dracorex open -
  237. was hij van binnen sponsachtig,
  238. werkelijk sponsachtig.
  239. Het is een jong
  240. en het groeit snel.
  241. Hij wordt groter.
  242. Bij Stygimoloch
  243. zie je hetzelfde.
  244. De bult, die kleine bult,
  245. groeit echt snel.
  246. Hij wordt zeer snel groter.
  247. Interessant is ook dat de piek op de achterkant van de Dracorex
  248. zeer snel groeide.
  249. De pieken op de achterzijde van de Stygimoloch
  250. worden eigenlijk geresorbeerd,
  251. wat betekent dat ze steeds kleiner worden
  252. terwijl die bult steeds groter wordt.
  253. Pachycephalosaurus heeft
  254. een stevige bult
  255. en de kleine oneffenheden op de achterkant van de kop
  256. worden ook geresorbeerd.
  257. Met deze drie dinosaurussen

  258. kan je als wetenschapper
  259. gemakkelijk veronderstellen
  260. dat het gewoon een groeireeks
  261. van hetzelfde dier is.
  262. Wat natuurlijk betekent dat
  263. dat Stygimoloch en Dracorex
  264. zijn uitgestorven.
  265. (Gelach)
  266. Oké.
  267. Wat natuurlijk betekent dat
  268. we nog 10 primaire dinosaurussen hebben te behandelen.
  269. Met een collega in Berkeley

  270. was ik op zoek naar Triceratops.
  271. Voor 2000 -
  272. bedenk dat de eerste Triceratops
  273. in de jaren 1800 werd gevonden -
  274. vóór 2000, had niemand ooit
  275. een jonge Triceratops gezien.
  276. Er is een Triceratops in elk museum in de wereld,
  277. maar niemand had ooit een jonkie gevonden.
  278. We weten waarom, toch?
  279. Want iedereen wil een grote.
  280. Iedereen had dus een grote.
  281. We gingen erop uit, verzamelden een hoop dingen
  282. en vonden een heleboel kleintjes.
  283. Ze zijn overal. Je struikelt erover.
  284. We hebben er dus een hele hoop van in ons museum.
  285. (Gelach)
  286. Iedereen zegt dat het komt omdat ik een klein museum heb.
  287. In een klein museum heb je kleine dinosaurussen.
  288. (Gelach)

  289. Je kan de Triceratops

  290. zien veranderen, hij ondergaat een gedaanteverwisseling.
  291. Terwijl de jongeren opgroeien,
  292. buigen hun hoorns naar achteren.
  293. Als ze ouder worden,
  294. groeien de horens naar voren.
  295. Dat is nogal cool.
  296. Langs de rand van de kraag
  297. hebben ze kleine driehoekige botten
  298. die tot grote driehoeken uitgroeien
  299. en dan plat tegen de kraag gaan liggen
  300. bijna zoals de pieken
  301. van de Pachycephalosaurussen.
  302. Omdat ik de jongen in mijn collectie had,
  303. zaagde ik ze open
  304. om ze binnenin te bekijken.
  305. De kleine is echt sponsachtig.
  306. Ook de middelmaat is sponsachtig.
  307. Maar het interessante was
  308. dat de volwassen Triceratops ook sponsachtig was.
  309. Deze schedel is twee meter lang.
  310. Het is een grote schedel.
  311. Maar er is nog een dinosaurus

  312. in deze formatie te vinden
  313. die lijkt op een Triceratops, behalve dat hij groter is.
  314. De Torosaurus.
  315. De Torosaurus
  316. heeft volwassen botten.
  317. Maar hij heeft grote gaten in zijn schild.
  318. Iedereen zegt: "Een Triceratops en een Torosaurus
  319. kunnen onmogelijk hetzelfde dier zijn
  320. omdat de ene groter is dan de andere."
  321. (Gelach)
  322. "En hij heeft gaten in zijn kraag."
  323. Ik zei: "Hebben we ook jeugdige Torosaurussen?"
  324. Ze zeiden: "Nee,
  325. maar hij heeft gaten in zijn kraag."
  326. Een van mijn studenten, John Scannella,

  327. doorliep onze hele collectie
  328. en ontdekte
  329. dat de gaten zich beginnen te vormen
  330. bij de Triceratops
  331. en natuurlijk helemaal open zijn bij de Torosaurus -
  332. zo vond hij de overgangen
  333. tussen de Triceratops en de Torosaurus.
  334. Cool is dat.
  335. We weten nu
  336. dat de Torosaurus
  337. eigenlijk een volwassen Triceratops is.
  338. Als we dinosaurussen benoemen,
  339. als we eender wat benoemen,
  340. blijft de oorspronkelijke naam bewaard
  341. De tweede naam schaffen we af.
  342. Torosaurus is uitgestorven.
  343. Als je het nieuws gehoord over de Triceratops,
  344. hebben veel nieuwslezers het helemaal mis.
  345. Ze dachten dat Torosaurus zou bewaard blijven en Triceratops eruit gegooid,
  346. maar dat zal niet gebeuren.
  347. (Gelach)

  348. We kunnen dit doen met een hoop dinosaurussen.

  349. Hier is Edmontosaurus
  350. en Anatotitan.
  351. Anatotitan: reusachtige eend.
  352. Het is een gigantische eendenbekdinosaurus.
  353. Hier is er nog een.
  354. De bot-histologie
  355. vertelt ons
  356. dat Edmontosaurus een jonge,
  357. of hoogstens een subvolwassene is.
  358. De andere is een volwassene
  359. en we hebben een ontogenie.
  360. Daar gaat Anatotitan.
  361. We kunnen daarmee blijven doorgaan.

  362. De laatste
  363. is T. Rex.
  364. We kennen twee dinosaurussen:
  365. T. Rex en Nanotyrannus.
  366. (Gelach)
  367. Je stelt je daar toch vragen bij.
  368. (Gelach)
  369. Maar ze hadden een goede vraag.
  370. Ze keken naar ze
  371. en zeiden: "De een heeft 17 tanden en de grootste 12 tanden.
  372. Dat slaat nergens op,
  373. want we kennen geen dinosaurussen
  374. die tanden bijkrijgen als ze ouder worden.
  375. Het moeten wel
  376. verschillende soorten zijn."
  377. Dus maar weer openzagen.
  378. En ja hoor,
  379. Nanotyrannus heeft juveniel bot
  380. en de grotere meer volwassen bot.
  381. Het lijkt wel of hij nog groter kan worden.
  382. In ons Museum van de Rocky Mountains
  383. heb ik vier T. Rexen.
  384. Ik mag er dus een hele hoop van openzagen.
  385. Maar dat hoefde niet echt,
  386. omdat ik hun kaken achter elkaar legde.
  387. Het bleek dat de grootste 12 tanden heeft,
  388. de volgende kleinste 13
  389. en de volgende kleinste 14.
  390. En natuurlijk heeft Nano er 17.
  391. In andere collecties
  392. vonden we er een met 15 tanden.
  393. Duidelijk dat Nanotyrannus
  394. in de Tyrannosaurusontogenie
  395. thuishoorde.
  396. Weer een dinosaurus minder.
  397. (Gelach)

  398. Aan het einde van het Krijt

  399. hebben we er
  400. dus nog 7 over.
  401. Dat is een goed aantal.
  402. Een goed aantal om uit te sterven, denk ik.
  403. Je kunt je voorstellen
  404. dat dit niet erg populair is bij de vierdeklassers.
  405. Vierdeklassers houden van hun dinosaurussen,
  406. ze leren ze van buiten.
  407. Ze zijn hier niet blij mee.
  408. (Gelach)

  409. Heel hartelijk bedankt.

  410. (Applaus)